terug uit auschwitz

Dagblad voor Noord-Limburg            19 april 1967

------------------------------------------------------------------

Zij keerden terug uit Auschwitz.......


Na een kwart eeuw: afstand nemen


“Die zomer liep ik een verre vriend tegen het lijf. Zijn joviale „Hé Sef, leef jij ook nog?" ging vergezeld van een ferme dreun op mijn schouder. Het was alsof ik door de grond ging. Letterlijk en figuurlijk. Hoe durfde de kerel zoiets schrijnends te vragen? 'n Machteloze, wanhopige woede maakte zich van me meester. Op het bewuste ogenblik had ik erop los willen slaan. Later kwam ik tot andere gedachten. Waarom de goeie man iets kwalijk genomen? Wist hij veel? Kon hij ook maar in de verste verte vermoeden welk een draagwijdte voor mij die doorgaans louter formele woorden hadden?"


Hoe cru en stotend dat „Leef jij ook nog?” precies klonk, zal wel geen nadere toelichting behoeven als men weet dat degene tot wie de woorden werden gericht, de thans 52-jarige Venlose woninginrichter Sef Janssen, zojuist was teruggekeerd uit het  Vernichtungslager Auschwitz. Samen met de zes jaar jongere Tegelse middenstander Jan Giesen „genoot" hij tussen 28 november 1941 en 12 mei 1942 gastvrijheid in de hel van het derde rijk. Ondermijnende activiteiten vormden de aanleiding. Op 3 augustus 1941 was in alle kerken van „Katholiek Nederland" namelijk een officiële brief voorgelezen, waarin het Nederlandse episcopaat openlijk stelling nam tegen de NSB, sympathisanten met de nationaal-socialisten uitsluiting van de sacramenten in het vooruitzicht werd gesteld en de bisschoppen proces aantekenden tegen het aan katholieken opdringen; van een levensbeschouwing die met hun godsdienstige overtuiging niet in overeenstemming viel te brengen. Ook maakten de mon­seigneurs bezwaren tegen de brutale ontmanteling van het tot een NSB-instelling gedegradeerde Werkliedenverbond. Volkomen te goeder trouw vermenigvuldigden Jan Giesen, Sef Janssen en nog vele anderen dit bisschoppelijk schrijven. Geen moment speelde bij hen de gedachte van „Nou zetten we die Duitsers eens een flinke hak". De arrestatie met al haar gevolgen kwam als een volslagen verrassing.


Het Noordiimburgse duo behoort tot de zeer weinigen die van de Duitsers officieel hun vrijheid herkregen en aldus aan een wisse dood ontsnapten. Jan Giesen: „Het gebeurde op een morgen. Inplaats van zoals gebruikelijk aan de slavenarbeid te gaan, moesten we ons melden op de politieke Abteilung. Dat kon van alles betekenen. Een doodvonnis net zo goed als overplaatsing naar een andere tak van dienst. Met knikkende knieën — heus niet alleen wegens de permanente ondervoeding — begaven we ons op weg. Wie schetst onze verbazing toen zonder opgave van reden onze Schutzhaft voor geëindigd werd verklaard. Ik weigerde aanvankelijk het te geloven. Zeker weer zo'n sadistische SS-grap, dacht ik. Maar onze vrijheid bleek waar, stel je voor. Er vielen 87 stenen van mijn hart toen het vrijgeleideformulier — ons paspoort naar het rijk der levenden — eindelijk was ingevuld".


Bijna vijfentwintig jaar na hun wonderlijke invrijheidsstelling valt het de twee nog moeilijk de nachtmerrie van toen helemaal uit hun geheugen te bannen. Sef Janssen: „De gedachte eraan maakt me telkens misselijk, terwijl ik toch niet direct voor een kleintje vervaard ben. Echt, je kunt niet zomaar voorbij zien aan wat is voorgevallen; het blijft je bij. Soms zijn het paardekarren vol lijken in de ochtendschemering. Als hooi werden de ontzielde lichamen afgeladen bij het crematorium. Ook herken ik mezelf van tijd tot tijd. Met de „overige" Häftlinge terugkerend naar het kamp. Ja, de overige. Want overdag zijn weer enkele honderden kameraden bezweken door algehele uitputting of onder aanhoudende stokslagen, We voeren hun stoffelijke overschotten mee in onze gelederen. Levende skeletten, vel over been. Niemand zou zulke spookachtige wezens, scharminkels haast, nog tot pra­ten en bewegen in staat hebben geacht. Een andere keer zie ik weer die rokende schoor steen, de enige in Auschwitz toen. Later volgden er meer. Of de appèlplaats komt me opnieuw voor de geest. Beangstigende taferelen. Barse bevelen. Een SS'er, veelbetekenend tegen een kameroudste: „Die en die zie ik morgen niet meer, goed begrepen?”

Dan wist de betrokkene wat hem te. doen stond...

Een van de meest wal­gelijke zaken vind ik nog wel die ene handdoek — afgrijselijk zin­nebeeld van hygiëne. Als ik daaraan terugdenk, bah. Vijftig mensen gebruikten dat onbeschrijflijk vuile vod. Beelden van bestiale SS-mentaliteiten staan eveneens onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift. Ranselende kampbeulen, hun wapenstokken kapot beukend op weerloze jodenruggen. Een weerzinwekkend spelletje van kat en muis. Het pesterige vraagbevel: „Vooruit, vertel op! Wie heeft de oorlog gemaakt?" in afwachting van het kermend gegeven antwoord: wij joden. Van machteloze woede stond je te trillen op je benen bij zulk een duivels gesar. Op een hoopje mens werd door die fanatici net zo gemakkelijk en waarschijnlijk evenmin met gewetenswroeging geschoten als op een hoop stenen".


Het zijn feiten, ervaringen als uit, een bange droom. Sef Janssen: „Ik zie het nog gebeuren. Nu ik de hele geschiedenis weer releveer, heb je best kans dat ik van­nacht geen oog dicht doe. Begrijp me goed, je slaat er je doorheen. Al heb je de ergste ellende meegemaakt. Helpen kan daarbij niemand, hoe graag men het mis­schien ook zou doen. Veel waarheid bevatten de woorden: „Gelukkig degene die vergeet wat niét te veranderen is". Helemaal kom je er overigens nooit mee klaar. Het beste voel ik me wanneer ik niet nodeloos aan de kampmisère herinnerd word. Zo kon ik onlangs nog voor een prikje naar Auschwitz reizen. Welbewust heb ik ervan afgezien. Het oord der verschrikking weer te zien, zou me geen goed hebben gedaan. Praten over deze zaken gaat wel zonder dat de sigaret of het glas pils er minder lekker door smaakt. Anders zou het erger zijn. Maar nogmaals, mensen die met de beste wil van de wereld geen afstand nemen kunnen, hoeven zich daar niet voor te schamen. Het is allesbehalve een schande".

In het bijzonder de tijd, volgend op de invrijheidsstelling, is voor Jan Giesen en Sef Janssen niet makkelijk geweest. „Jazeker, een allerberoerste periode" be­peinst de Tegelse zakenman Gie­sen. “Je begaf je op vrije voeten, maar daarmee hield het ook op. De gedachte: „Had ik niet beter dood kunnen zijn?" bekroop me in die dagen herhaaldelijk. Je kon hét leven niet aan, alles was me om het even. De gewone verhoudingen verloor ik uit het oog. Af en toe was ik ervan door­drongen finaal van de kaart te zijn; m'n reacties deugden voor geen cent. Na zoveel ontberingen — reuben op water golden als een specialité de la maison in Ausch­witz — kon ik de neiging alles te eten wat maar binnen bereik kwam nauwelijks onderdrukken. Het zien van etende mensen in hotels vergde een uiterste zelf­beheersing. Vaak genoeg had ik alle moeite om niet als een wil­deman op allerhande etenswaren af te vliegen. Niets liever wilde je dan uitbreken uit de bestaande kaders. Onder de mensen durfde ik me de eerste tijd hoegenaamd niet te begeven, al zeg ik het zelf".


Sef Janssen kende soortgelijke ervaringen: „Onvoorstelbaar zo­lang het geduurd heeft eer ik me weer min of meer normaal geduurd heeft eer ik me weer min of meer normaal gedroeg, eer je besefte welk een in-

tense betekenis ook toen het leven hier bezat. In het grote geheel ga je tal van dingen onvermijdelijk herwaarderen. Wekt het verbazing als ik zeg lang niet meer zo kerks te zijn in vergelijking met mijn leven voor ‘40?"

Het moeizame acclimatiserings-proces vormde een bijkomstigheid van een kampleven onder erbarmelijke omstandigheden. De kans op overleving was werkelijk mi­nimaal. Ervaren kampbewoners hadden het bij aankomst van elk nieuw transport vrij gauw gezien: „Die houdt het zolang uit, die zolang". Veel hing ervan af hoe de Zugänger zich gedroegen; hun houding kon beslissende betekenis hebben voor leven of dood. Langer dan een maand hielden de meesten het niet uit. Tsjechen en zigeuners al zeker niet. Mensen met een laag registratienummer — het stelligste bewijs voor een groot uithoudings- en incasseringsvermogen — werden met ontzag nageoogd. Door welke stomme toevalligheden twee Hollanders het er levend hebben afgebracht? De geluksvogels zelf schrijven het in niet geringe mate toe aan de geleidelijke overgang van het vrije bestaan naar de kamphel.

Sef Janssen: „Alvorens onze eindbestemming Auschwitz te bereiken, doorliepen we tien gevangenissen. Langzamerhand zijn we erin gegroeid, dat is ons grote geluk geweest. Iemand, gewoon opgepakt uit zijn brave burger­mansleventje en met de neus gedrukt op het kampleven, zou naar mijn stellige overtuiging binnen het uur stapelgek worden. In het begin besefte je gewoon niet wat er gaande was. Al dat gesnauw deed je hoogstens een weinig ver­wonderd opkijken en vragen: wat willen die kerels? Zijn ze stapelgek geworden? Wat bezielt hen? Ze nemen ons toch niet in de maling? Verrassend gauw echter moesten we aan den lijve ervaren welk een bittere ernst het de Duitsers was. Je raakte eraan gewend te worden afgebekt. Volledig afgestompt, accepteerde ik ook de ergste vernederingen van­zelfsprekend. Wie zich alle narigheid aantrok, ging er binnen de kortste keren onderdoor. Waar het om ging, was: blijf ik in leven of niet? Bovenal leerde je berusting. Wat komen moet, dat komt maar, luidde kortweg onze levensopvatting".


Twee factoren lijken achteraf de overlevingskansen voor de Noordlimburgers gunstig te hebben beïnvloed: hun nationaliteit en de verdedigingstaktiek tegen de SS-willekeur. Over de voordelen, verbonden aan het Nederlanderschap merkt Sef Janssen op: „Nederlanders waren in 1941 zo goed als onbekend voor de beulen van Auschwitz. Zoals de gemene Hitler-soldaat in ons land over de ligging van Auschwitz meestal geen zinnig woord vertellen kon. Het moest er niet pluis zijn, maar meer kreeg je niet te horen. Wij tweeën troffen het „reusachtig" door te arriveren als twee volslagen vreemde eenden in de bijt. Waar we aanvankelijk ook kwamen, overal klaarden zelfs de meest wrede gezichten op bij het vernemen van onze nationaliteit. Hoe komen jullie hier? klonk het prompt. Wat hebben jullie uitgevreten? Een geamuseerde ondertoon viel niet te ontkennen. Dan was het weer versierd. Iedereen mocht ons wel, en dat hebben we handig uitgespeeld. Ze zagen donders goed dat wij ons drukten, maar lieten het

oogluikend toe. Later, toen we hoofdzakelijk het leven hielden dank zij die bevoorrechting, liet de SS ons tamelijk goed met rust. Totdat het nieuwtje van Hollander-zijn de uitwerking begon te missen en wij ondergingen in dé grote massa. Toen had het niet lang meer mogen duren of ze hadden ons alsnog fertig ge­maakt. Erledigt, zogezegd. Het werd menens. Ik persoonlijk kón geen goed meer doen. Mijn oppassers verhevigden hun „plagerijen" in de trant van: zie je gindse schoorsteen? Ik jaag jou er nog eens door, wacht maar. Men heeft er geen idee van hoe vaak ik gedacht heb: “Het is met me gebeurd".

Trachtend het de dienstdoende SS'ers zoveel mogelijk naar de zin te maken, ontliepen handige gevangenen doorgaans flink wat van de hen toebedachte straffen. Jan Giesen: „Naarmate, je de bewakers en hun streken beter leerde kennen, ontwikkelde je verweermethodes. Duitsers wilden hardheid zien. Waren ze zelf niet op een soms beestachtige manier gedrild? Wie toonde bang te zijn, hoefde op geen genade te rekenen. Ook al sloeg deze of gene je half bewusteloos; dan nog gaf je geen kik om eigen bestwil. Vragen beantwoordde je gewillig zelfs al vroegen ze je het hemd van het lijf. Anders waren die gasten helemaal niet meer te genieten. Op gelijke gronden tekenden we gewoontegetrouw alles wat ons aan papier onder ogen kwam".


Geen van beiden waagt zich aan een stellingname. Opsporingswerk als dat van Simon Wiesen-thal achten ze niet misplaatst omdat het publiek uit elke berechting weer leert waartoe het mensdom komen kan zodra het menselijke vernuft in dienst van de misdaad wordt gesteld. Van de andere kant geloven ze stellig in verzachtende omstandigheden. Sef Janssen: „De aanstichters werden naar lichaam en geest opgevoed met de ergste wantoestanden. De eerste reactie na alles wat je overkwam was logisch: knapen die, er een genoegen in stelden weerloze schepsels af te tuigen, moet je met gelijke munt terug betalen. Later neem je meer af­stand".

W. AERTS


Vijfentwintig jaar geleden liep de verschrikking-Auschwitz ten einde. Twee mensen keerden levend terug na de ergste ontberingen. Zij hebben lotgenoten zien moorden, enkel om een homp brood te bemachtigen. Zelf aten ze voedsel dat de kwaliteit van varkensvoer niet benaderde;onder de heersende omstandigheden was het godenspijs. „Zoiets valt met geen pen te beschrijven. Boeken, films bevatten slechts woorden en beelden. Met de werkelijkheid komen ze nooit overeen". Dat hun kwelgeesten van­daag aan de dag nog  naar de rechtzaal worden gesleurd is een kwestie waar zowel Jan Giesen als  Janssen zich buiten houden.

Nachtmerrie

eindigde

25 jaar geleden

Toevallig weerzien

Jan Giesen: finaal van de kaart


Sef Janssen: Leef jij ook nog ?


Nowakowski: succesvolle speurder.


Omstreeks september vorig jaar ontdekte de Amsterdamse mu-ziekleraar Hans Toorenspits in “Aantreden" -het maandelijks verschijnende mededelingenblad (“zo af en toe kijk ik er eens  in”) van de Nederlandse vere-niging voor ex-politieke gevan-genen een berichtje dat hem meer dan oppervlakkig interes-seerde. Een zekere Pool, Syl-vester Nowakowski, zocht con-tact met twee mogelijk nog levende Nederlandse beken-denden uit zijn Ausehwitz-periode.Toorenspits, zelf tijdens de oorlogsjaren opgesloten in negen concentratiekampen, verbleef van 24 juni '44 tot en met midden januari '45 in Auschwitz. Hij overleefde er onder meer. het bombarde-ment van september 1944 waarbij alleen al in zijn schuil-kelder niet minder dan zestig slachtoffers te betreuren vie-len. Nowakowski, de man uit het Expoge mededelingen-blaadje werkte evenals Tooren-spits in de Bekleidungsstätte Om een lang verhaal kort te maken: er ging een brief naar Nowakowski’s woonplaats Chorzow. Misschien, zo veronderstelde de Amster-dammer, kende de Pool enkele van zijn relaties uit het kamp of landgenoten met wie hij be-vriend raakte. In zijn enthou-siaste antwoordbrief, spoedig gevolgd door een tweede en derde, vertelde de 53-jarige Nowakowski telkens te zoeken naar twee Nederlandse collega’s in het bijzonder. („Die beiden waren fabelhafte Jungs, katholisch und fromm. Sie wurden später entlassen"). Niettegenstaande hun namen en woonplaatsen hem onbekend waren,hoopte hij vurig de twee nog eens op het spoor te komen.

Toorenspits beloofde alles in het werk te stellen om die hartewens in vervulling te doen gaan. In eerste instantie wendde hij zich met een verzoek om medewerking tot dagboekenier Henri Knap van Het Parool. Door diens tussenkomst publiceerde het landelijk dagblad 22 november een oproep, Geen sterveling reageerde. Niet van zins het bij een poging te laten stelde de Amsterdammer zich in verbinding met de redactie van het weekblad Vrij Nederland. Op 16 december werd andermaal opsporing van de twee verzocht, nu in de rubriek Zakboek van een twijfelaar. Het rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie werd erdoor in staat van alarm gebracht. Een wetenschappelijk medewerker ging de zaak wat verder uitpluizen omdat het volgens zijn gegevens leek vast te staan wie de gezochten waren. Men stelde zich in verbinding met een van hen, de in Venlo woonachtige Sef Janssen Het weekbladbericht “Auschwitz” dat hem aldus ter kennis kwam zette de Venlonaar aan het denken. Die Nowakowski kwam hem zeer bekend voor. Eer hij echter had kunnen reageren, stelde Toorenspits hem telefonisch de vraag of hij „nummer 7740 uit Auschwitz" misschien kende. Vrij Nederland had namelijk al „uit andere bron" verno­men om welke twee Auschwitz-gevangenen het vermoedelijk ging en de contactman Toorenspits daarvan op de hoogte gesteld. Die wetenschap verkreeg de weekblad-redactie via het Rode Kruis, waar men zich de namen herinnerde in verband met aanvragen voor schade-uitkeringen. Toorenspits bracht, na zijn succesrijke bemiddelingspoging vernomen te hebben, de „verloren zoons" in contact met hun Poolse redder.


Want zo en niet anders ziet Sef Janssen evenals Jan Giesen de: medegevangene Nowakowski. De Pool, al op 18 december 1940 door de gestapo in de kraag gepakt, verbleef 3,5 jaar te Auschwitz.

Na een periode van vrijheid wederom (voor korte tijd) opgepakt, leek het hem vervolgens raadzamer naar Rusland de wijk te nemen en vandaar uit het verdere verloop van het oorlogsgebeuren gade te slaan. Wegens illegale grensoverschrijding stopte men hem in 1946 evenwel nogmaals voor 2,5 jaar achter de tralies. Sylvesters broer, vrijwel gelijk­tijdig in Auschwitz gearriveerd, heeft zJn ervaringen niet mogen navertellen. Na veertien maanden kamp stierf hij aan de gevolgen van wreedaardige folteringen. *

Nowakowski's eerste kennismaking met de Nederlanders verliep uitermate hartelijk. Wel kon hij het maar moeilijk verkroppen dat de Nederlandse strijdkrachten zich al na vijf dagen gewonnen gaven. Dat vond hij maar niks. Niettemin hielp de goedaardige Pool, die zich ontpopte als een ware meester in het „organisieren" van extraatjes, waar mogelijk. Doordat hij voortdurend steun gaf aan de tot meubelmaker aangewezen Sef Janssen en zijn in een buitencommando gestationeerde maat, konden de twee het harden.

Nowakowski, taai en gewiekst, stond voor niets. Aan hem en zijn landgenoot Kurt Machula danken de Noordlimburgers veel. Die tweede weldoener — zoon van een Poolse vader en een Zweedse moeder, thans als leraar wiskunde en psychologie verbonden aan een middelbare school in het Schotse Perth,— ontmoette z'n beschermelingen enige jaren geleden nog even. Zijn wederwaardigheden uit de oorlogsjaren grensden aan het ongelooflijke.

Studerend voor opticien in het Oostduitse Jena, werd Kurt Ma­chula in 1939 reeds vastgezet. Als tolk en kantinebaas maakte hij zich tijdens zijn kampjaren verdienstelijk voor gevangenen en weermacht, in volgorde van belangrijkheid. Stoutmoedige „bedriegerijen"' waarmee hij medegevangenen het lot zocht draaglijker te maken, kwamen tenslotte aan het licht. Er wachtten hem de ergste folteringen. Twee maanden lang lag de ingenieur uit War­schau gekneveld in een dodencel. Hij doorstond een langdurig verblijf in de Stehbunker van Auschwitz en alleen onverzettelijkheid deed hem de Duitse kwellingen doorstaan. Wonder boven wonder hergaf de SS haar weerloze slachtoffer na verloop van tijd de vrijheid van het normale kampleven. Kort nadien werd de Pool overgebracht naar een Zuidfrans kamp voor dwang­arbeiders. Groter stommiteit had men met de voortreffelijk Frans sprekende Machula niet kunnen uithalen. De oude rot ontkwam binnen een mum van tijd en wist zich met hulp van de actieve Franse verzetsstrijders te voegen bij de Amerikaanse bevrijdingslegers langs de Noordafrikaanse kusten. Ingedeeld bij de eerste Amerikaanse valschermdivisie, voerde de Poolse vechtjas nog liefst 29 vernietigingsopdrachten uit. Telkens na boven Frankrijk te zijn gedropt, lukte het de duivelskunstenaar ongedeerd door de Duitse linies te breken, op weg naar veiliger oorden. Na de oorlog kreeg hij wegens zijn verdienstelijke arbeid het Croix de Guerre, niemand de beloning van een miljoen francs die door de Duitsers op zijn hoofd was gesteld.

 







25 september  “Aantreden”

22 november  “Het Parool”

17 december  “Vrij Nederland”

Entlassungschein van Josef Janssen.


Van dit Erlassungsschein zijn er slechts 2 voor Nederlanders uitgegeven!!

R-55-janssen. oorlogstijd 1.
Ik vermoed dat ik een van de weinigen ben die de 'Entlassungsschein' van Auschwitz ooit in zijn handen heeft gehad. Ook toen was ik me al zeer bewust van de unieke historische waarde van dat stukje papier. Maar, dat het zo bijzonder was dat er maar twee van in Nederland zijn, kon ik niet beseffen. Het was in de periode dat Loe de Jong bij hem langs zou komen om zijn verhaal te horen. Ik begreep later trouwens dat het document later inderdaad naar 'het instituut' is gegaan. Natuurlijk heb ik hem  gevraagd om over die tijd te vertellen en daarbij kwam het volgende  verhaal naar boven:

Toen Sef (ik begrijp samen met een makker) in Auschwitz aankwam, werd hem gevraagd wat hij kon, omdat hij te werk gesteld zou worden. Hij zei dat zijn vak meubelmaker was en de commandant vroeg hem dat te bewijzen door een 'dubbel verdekte zwaluwstaartverbinding' te maken. Daarbij verbindt je twee planken haaks aan elkaar, zonder dat je aan de buitenkant ook maar iets van die verbinding ziet. Het schijnt dat dat zo ongeveer het 'pièce-de-résistance' voor elke meubelmaker is.
Twee stukken hout en een aardappelschilmesje werden hem daartoe ter beschikking gesteld. Ondanks dat hopeloze materiaal krijg hij het voor elkaar. Men was overtuigd van zijn vakmanschap en gedurende lange tijd heeft Sef niet anders gedaan dan kostbare oude meubels restaureren. Toen hij het mij vertelde was hij in de stellige overtuiging dat zijn vakmanschap uiteindelijk zijn leven heeft gered.

Sef Janssen is in 1981 in Genève gestorven. Hij was daar voor een  hartoperatie en is niet meer wakker geworden uit de narcose.
Aart Hooijmeijer,
in 1968 getrouwd met Anneke Reinders († 1985), dochter van Bep Reinders, de latere vriendin van Sef.

Bijdrage: 20 juni 2014